Op school zien ze een kind dat regelmatig in discussie gaat. Dat niet aan het werk gaat terwijl het de stof prima aankan. Dat zich terugtrekt, boos reageert of steeds vaker weerstand laat zien. Misschien krijg je als ouders te horen: “Hij moet leren dat hij niet altijd zelf kan bepalen wat hij doet.” “Ze kan het prima, maar ze laat het gewoon niet zien.” “Wij herkennen op school eigenlijk niet wat jullie thuis beschrijven.” En juist dat laatste kan voor ouders verwarrend zijn. Want thuis zien zij een ander kind. Een kind dat na school niets meer kan hebben. Dat boos wordt om iets kleins, zich terugtrekt op de eigen kamer of uren achter een scherm wil verdwijnen. Een kind met buikpijn of hoofdpijn. Dat op zondagavond al spanning voelt voor de volgende schoolweek. Soms komt uiteindelijk de zin die ouders niet meer uit hun hoofd krijgen: “Ik wil niet meer naar school.” Hoe kan het dat school en ouders naar hetzelfde kind kijken en toch iets heel anders zien?
Twee verschillende verhalen kunnen allebei waar zijn
Wanneer een kind thuis en op school verschillend gedrag laat zien, ontstaat gemakkelijk discussie over de vraag waar het ‘echte’ probleem zit. School ziet een leerling die functioneert. Ouders zien een kind dat uitgeput raakt. Maar misschien hoeven we niet te kiezen welk beeld klopt. Een interessantere vraag is: Wat kost het dit kind om op school te functioneren? Sommige kinderen kunnen zich gedurende een schooldag lange tijd aanpassen aan wat er van hen wordt gevraagd. Ze volgen instructies, houden emoties in, proberen sociaal mee te bewegen en doen wat nodig is. Dat kan van buitenaf behoorlijk goed gaan. De gevolgen worden soms pas zichtbaar wanneer de omgeving veilig genoeg voelt om de controle los te laten. Thuis. Dan kan de opgebouwde spanning eruit komen in boosheid, huilen, terugtrekken, vermoeidheid of lichamelijke klachten. Het gedrag thuis vertelt daarmee iets wat op school misschien niet direct zichtbaar is.
Gedrag is wat we zien, maar niet automatisch wat er aan de hand is
Een leerling die weigert een opdracht te maken, kan ongemotiveerd zijn. Maar weigeren kan ook iets anders betekenen. Misschien is de leerling bang om fouten te maken. Misschien is de taak cognitief eenvoudig, maar kost het organiseren en uitvoeren ervan op dat moment te veel. Misschien heeft het kind zich al uren aangepast. Misschien begrijpt het niet waarom iets gedaan moet worden. Of misschien is de draagkracht simpelweg op. Hetzelfde geldt voor boosheid, discussiëren, clownesk gedrag, terugtrekken of voortdurend willen onderhandelen. Wanneer we alleen reageren op wat zichtbaar is, bestaat het risico dat we harder gaan sturen op gedrag terwijl we nog onvoldoende begrijpen waar dat gedrag vandaan komt. Dan ontstaat gemakkelijk een patroon:
Het kind loopt vast, de omgeving verhoogt de druk, het kind ervaart nog minder ruimte, het gedrag neemt toe. En vervolgens wordt dat gedrag gezien als bewijs dat er nóg meer begrenzing of motivatie nodig is. Soms is dat passend, maar soms precies niet.
“Maar hij kan het wél”
Bij hoogbegaafde kinderen kan nog iets anders meespelen. Hun cognitieve mogelijkheden zijn vaak duidelijk zichtbaar. Een kind begrijpt snel, kan ingewikkelde verbanden leggen en beschikt soms over opvallend veel kennis. Daardoor kan de verwachting ontstaan dat andere dingen ook vanzelf zouden moeten gaan. “Als je dit kunt begrijpen, kun je die opdracht toch ook gewoon maken?” Maar iets cognitief kunnen begrijpen is iets anders dan het op ieder moment kunnen uitvoeren. Een kind kan heel goed begrijpen wat er van hem wordt verwacht en tegelijkertijd vastlopen in spanning, motivatie, executieve functies, perfectionisme, sociale belasting of een gebrek aan ervaren autonomie. Juist bij cognitief sterke kinderen kan de buitenwereld de draagkracht gemakkelijk overschatten. Omdat ze zoveel kunnen.
Kijk niet alleen naar gedrag, maar naar patronen
Wanneer thuis en school twee heel verschillende kinderen lijken te zien, helpt het om niet meteen naar een verklaring of diagnose te zoeken. Begin met observeren. Wanneer gaat het wél goed? Wanneer neemt de spanning toe? Wat gebeurt er op schooldagen vergeleken met weekenden? Hoe gaat het in vakanties? Zijn er bepaalde lessen, leerkrachten, sociale situaties of momenten waarop het gedrag verandert? Wat gebeurt er wanneer verwachtingen tijdelijk worden verminderd? En misschien wel de belangrijkste vraag:Wanneer zien we het kind weer ontspannen, nieuwsgierig en zichzelf worden? Juist de verschillen tussen situaties kunnen veel informatie geven.
Ouders en school hoeven niet tegenover elkaar te staan
Wanneer een kind vastloopt, kunnen gesprekken tussen ouders en school steeds moeilijker worden. Dat is begrijpelijk. Ouders zien thuis de gevolgen en willen hun kind beschermen. School heeft tegelijkertijd verantwoordelijkheid voor onderwijs, ontwikkeling en een hele groep leerlingen. Wanneer beide partijen vooral proberen duidelijk te maken wat zij zien, kan onbedoeld een strijd ontstaan over wiens waarneming klopt. Maar het kind heeft meer aan een andere vraag:Wat kunnen we leren wanneer we beide waarnemingen naast elkaar leggen? Misschien ziet school belangrijke dingen die thuis niet zichtbaar zijn. En misschien zien ouders gevolgen die op school nauwelijks te observeren zijn. Pas wanneer beide perspectieven serieus worden genomen, ontstaat een vollediger beeld.
Bij hoogbegaafdheid is “meer uitdaging” niet altijd het antwoord
Wanneer een hoogbegaafd kind vastloopt, wordt begrijpelijkerwijs vaak gekeken naar het onderwijsaanbod. Is er voldoende uitdaging? Past het niveau?
Is compacten of verrijken nodig? Dat zijn belangrijke vragen. Maar ze zijn niet altijd voldoende. Wanneer een kind langere tijd overbelast is geraakt, kan nóg meer cognitieve uitdaging zelfs iets toevoegen aan een systeem dat al onder druk staat. Dan moet eerst breder worden gekeken. Naar het kind zelf, maar ook naar de omgeving. Naar verwachtingen, naar relaties, naar wat er in het onderwijs gebeurt, naar draagkracht en herstel. En naar de vraag welke functie bepaald gedrag inmiddels heeft gekregen.
Wanneer is het verstandig om verder te kijken?
Niet ieder kind dat moe thuiskomt of een periode minder gemotiveerd is, heeft professionele begeleiding nodig. Maar het is verstandig om verder te kijken wanneer klachten langere tijd aanhouden of steeds verder toenemen. Bijvoorbeeld wanneer een kind structureel uitgeput thuiskomt, steeds vaker lichamelijke klachten heeft, veel spanning rond school ervaart, niet meer wil gaan, zichzelf steeds negatiever beoordeelt of thuis nauwelijks meer tot herstel komt. Wacht daarbij liever niet totdat schooluitval een feit is. Hoe eerder duidelijk wordt welke factoren een rol spelen, hoe meer mogelijkheden er meestal nog zijn om bij te sturen.
Niet: wie heeft gelijk? Maar: wat vertelt dit ons?
Wanneer school probleemgedrag ziet en ouders thuis een uitgeput kind zien, hoeft één van beide partijen het niet verkeerd te zien. Misschien kijken ze naar verschillende momenten van hetzelfde proces. Daarom beginnen wij liever niet bij de vraag: “Hoe lossen we dit gedrag op?”, maar bij:“Wat maakt dat dit kind dit gedrag nodig heeft of laat zien?” Van daaruit kan worden onderzocht wat een kind nodig heeft om weer tot ontwikkeling te komen, thuis én op school.
Herken je jullie kind hierin?
Wanneer jullie thuis een kind zien dat steeds verder vastloopt terwijl school een ander beeld heeft, kan het lastig zijn om te bepalen wat een passende volgende stap is. Bij Met Recht Begaafd kijken we naar het geheel: naar hoogbegaafdheid en ontwikkeling, naar wat het gedrag mogelijk vertelt, naar de draagkracht van het kind én naar de onderwijscontext. In een kort telefonisch afstemmoment kunnen we samen verkennen wat er speelt en of onze expertise bij jullie situatie aansluit.
